Fase 2

Beginsituatie en situering

In de eerste opleidingsfase verwierf de student een aantal basisvaardigheden van een leraar:  gericht leren observeren, een degelijke instructie geven,  het stellen van gerichte vragen en het visueel en gestructureerd weergeven van een inhoud. Hij heeft ervaren wat het betekent om enthousiast en voldoende leidinggevend voor de klas te staan. Hij leerde een les ontwerpen waarbij hij de leerlingen zoveel mogelijk aanzet tot (leer)activiteit. Kortom, ‘ik en mijn keuze om leraar te worden’ stond centraal. Deze competenties worden meegenomen naar de tweede opleidingsfase waar er een sterkere focus komt op ‘ik en mijn vakken’. 

In de tweede opleidingsfase werkt de student vooral aan de basiscompetenties ‘de leraar als begeleider van onderwijsleerprocessen, als organisator, inhoudelijk expert en als opvoeder’. Zijn of haar functioneren als leerkracht in de klas in relatie met leerlingen staat centraal. De hoofddoelstelling is om op doorgroeiniveau effectief leren te realiseren bij leerlingen. De mate waarin hij / zij betrokkenheid van leerlingen kan realiseren is een belangrijk criterium doorheen de stageperiodes.

In de loop van het jaar bouwt hij / zij aan houdingen, kennis en vaardigheden die nodig zijn om steeds meer activerend te kunnen lesgeven: van sterk leerkrachtgestuurde activiteiten naar activiteiten waar de zelfstandigheid van de leerling centraal staat.

In onderstaande presentatie vindt de student de richtlijnen die belangrijk zijn voor een goed verloop van de doorgroeistages.

Presentatie_DG_2BaSO_25-26

Opbouw

Het stagecurriculum voor een standaardtraject Doorgroeistage bestaat uit:

een doorgroeistage tijdens het eerste semester en twee doorgroeistages tijdens het tweede semester. 

De stagiair AV doet ervaring op in de eerste en tweede graad (doorstroom, dubbele – en/of arbeidsgerichte finaliteit).

De stagiair LO – AV doet voor zijn algemeen vak vooral ervaring op in de eerste graad en de tweede graad doorstroomfinaliteit.

We stimuleren de stagiairs om voorafgaand elke stageperiode te observeren. De stagiair dient in onderling overleg met de stageschool na te gaan of een observatiestage mogelijk is.  

Doelen en competenties

In de tweede opleidingsfase  maakt de student kennis met verschillende basiscompetenties: ‘de leraar als begeleider van onderwijsleerprocessen, als organisator, inhoudelijk expert en als opvoeder. We streven een aantal LUK’s (leeruitkomsten) na die gekoppeld zijn aan de opleidingsspecifieke leerresultaten (OLR’s) van Odisee.  Die leeruitkomsten zijn vertaald in gedragsindicatoren die een leraar duidelijk moet hebben verworven bij het einde van de tweede opleidingsfase. De te bereiken gedragsindicatoren worden weergegeven in het begeleidingsformulier. Naast deze algemene gedragsindicatoren voor een leraar zijn er ook vakgerichte competenties per opleidingsfase.