Stagevoorbereiding en -realisatie

Observaties in de stageklas

In elk semester zijn er verschillende observatiemomenten ingepland, waarin de student de stageklas kan observeren. Deze observatiemomenten staan vermeld in de planning van Praktijk 1 (zie stagedocumenten).

In principe contacteren de studenten voor elke stage de mentoren van de stageschool.  Op deze observatiedagen meldt de student zich eerst aan bij de directie. Bij een eerste contact stelt de student zich kort voor. Eens in de klas kan de student de observatieopdracht (aan de hand van een kijkwijzer) uitwerken en een gesprek met de mentor voeren.

Deze kijkwijzers worden inhoudelijk ingevuld vanuit de verschillende opleidingsonderdelen binnen de hogeschool. Tijdens de hoorcolleges op de hogeschool krijgen studenten theoretische kaders aangereikt. De kijkwijzers vormen de brug naar de klaspraktijk. De verschillende kijkwijzers zijn terug te vinden in de leidraad voor de oefenscholen (zie stagedocumenten).

De ingevulde kijkwijzer wordt  gepost in LINK. De deadline voor het posten van de kijkwijzer in LINK staat telkens vermeld op de kijkwijzer.

Waar de student participerend kan observeren, doet hij dit. Het geeft vaak een beter beeld van de beginsituatie van de kinderen. Tijdens de participerende observatiemomenten nemen de studenten minimaal twee organisatorische en twee didactisch/pedagogische activiteiten voor hun rekening.  Studenten hebben daarvoor een document ‘Participerend observeren’ (in het stageschrift), waar de mentor kort feedback kan geven op deze activiteiten.

Onderwijsactiviteiten door mentor

Doorheen het eerste semester worden verschillende onderwijsactiviteiten gegeven door de mentoren (zie planning).

Zo’n onderwijsactiviteit kan doorgaan in één klas, gegeven door één mentor (waarbij alle studenten tegelijkertijd dezelfde les observeren), of in verschillende klassen. De precieze manier van werken gebeurt in samenspraak met de verschillende mentoren.  

De studenten observeren deze onderwijsactiviteit aan de hand van een kijkwijzer. Na elke onderwijsactiviteit volgt een nabespreking en microteaching (= inoefening door de studenten) op de hogeschool. Vervolgens geven de studenten zelf zo’n les op de oefenschool, in hun eigen stageklas.  

Vanuit de hogeschool bieden wij didactische fiches aan zodat de mentoren bij de opbouw van hun onderwijsactiviteit kunnen nagaan waarop wij binnen de hogeschool de nadruk leggen. De verschillende didactische fiches kan je terugvinden in de leidraad voor de oefenscholen (zie stagedocumenten).

Actieve stage

De studenten gaan ook zelf actief aan de slag en zullen doorheen het semester verschillende lessen geven. Concreet gaat het om een voorleesles, een les wereldoriëntatie en een les muzo/wiskunde en Nederlands/godsdienst (zie planning). 

Deze lessen worden voorbereid in kleine groep, onder begeleiding van leergroepbegeleiders en vakdocenten op de hogeschool. Het (deel)leergebied en lesonderwerp wordt bepaald door de hogeschool.

Onder ‘stagedocumenten’ vind je de lesonderwerpen per (deel)leergebied terug, met daarbij de data waarop deze lessen zullen worden gegeven in de stageklas.