gefaseerde opbouw

We beschouwen stage als een geleidelijk ingroeien in de onderwijspraktijk door een actieve betrokkenheid van de student in een realistische schoolcontext als werkplekomgeving. Tijdens de didactische stage krijgen de studenten, naarmate zij vorderen, meer en meer verantwoordelijkheden en opdrachten in het geheel van de werking van een lagere school. Op die manier groeien zij uit tot volwaardige beginnende leerkrachten.

Onderstaand schema geeft deze progressieve toename in verantwoordelijkheid in drie fasen weer.

In de tabbladen hieronder beschrijven we wat we van welke assistent verwachten.

competentieniveaus

Op het basisniveau ligt de nadruk op het verwerken van nieuwe informatie en begrippen en het uitvoeren van eenvoudige taken gebruikmakend van nieuwe inzichten en vaardigheden.

De toepassing gebeurt in afgebakende contexten en op concrete en domeinspecifieke problemen. Het handelen in wisselende contexten is haalbaar op dit niveau, mits er externe sturing is (leidinggevende geeft opdrachten).

De klemtoon op vlak van verantwoordelijkheden ligt hier op de persoonlijke taakbeheersing. Men moet kunnen tonen dat men verantwoordelijk kan zijn voor een taak en betrokken is op het eigen leerproces, en moet bewust zijn van een eigen idee over waarden.

Het doorgroeiniveau onderscheidt zich van het basisniveau in de zin dat men kennis, inzichten en vaardigheden verdiepend verwerkt door deze toe te passen, d.w.z. het vertalen naar het handelen in de concrete beroepspraktijk, naar probleemsituaties en vragen, naar specifieke domeinen of actuele vraagstukken. 

Op het doorgroeiniveau moet men in staat zijn om taken en opdrachten in nieuwe of onverwachte en complexere contexten uit te voeren. Ten opzichte van het basisniveau is er een groei in autonomie, niet alleen door gedeelde sturing in afgesproken opdrachten, maar ook doordat men zelf proactief initiatief kan nemen.

Wat betreft verantwoordelijkheden ligt de nadruk op het verantwoordelijk zijn voor de eigen taken en opdrachten, maar wordt er ook verwacht dat men hierbij actief samenwerkt met anderen en zich afstemt op collectieve projecten of processen. 

Op het doorgroeiniveau wordt verwacht dat men inzicht heeft in zowel de waarden van de beroepspraktijk als in de eigen professionele identiteit. 

Typerend voor het gevorderd niveau is dat kennis en vaardigheden verbreed worden door ze kritisch te evalueren en te verbinden of combineren met andere disciplines en perspectieven. Tegelijk past men meer complexe, gespecialiseerde kennis en vaardigheden toe, al dan niet gebaseerd op onderzoeksuitkomsten.

Bovendien moet men op het gevorderd eindniveau kunnen handelen in gespecialiseerde en interprofessionele contexten. Men is in staat om zinvolle methoden en technieken te kiezen en op een creatieve wijze te gebruiken om niet-vertrouwde, complexe problemen op te lossen. Dit betekent ook dat men moet kunnen samenwerken en communiceren met andere experten.

Op het gevorderd eindniveau wordt zelfsturing verwacht met name het functioneren met volledige autonomie en een ruime mate van initiatief. Op vlak van verantwoordelijkheden, moet men op dit eindniveau medeverantwoordelijkheid kunnen opnemen voor collectieve resultaten. Naast doelgericht en georganiseerd samenwerken in teamverband, houdt dat ook in dat men eenvoudige leidinggevende taken kan opnemen om te komen tot een gedeeld eindresultaat.

Wat het reflectievermogen betreft, overstijgt men in het gevorderd niveau de beroepsspecifieke invalshoek met een actief participerende (debat-)component. De klemtoon ligt op het kunnen expliciteren van een onderbouwde en kritische visie over brede maatschappelijke thema’s en hierover in debat kunnen gaan.