Leerlijn

Bij de aanvang van de educatieve bachelor in het kleuteronderwijs via hoger afstandsonderwijs stelt men, aangaande attitudes en vaardigheden, geen specifieke eisen waaraan de student zou moeten voldoen voor hij of zij heeft kunnen kennis maken met het toekomstige werkveld.  

We verwachten wel dat de studenten een basishouding van openheid en ontwikkelingsgerichte interesse voor kleuters en hun belevingswereld bezitten. Een expressieve en spontane omgang met kinderen is eveneens een goede vertrekbasis, evenals zin voor initiatief, inzet en verantwoordelijkheidsbesef.   

Wat moet een leerkracht allemaal kunnen? Welke kennis, vaardigheden en attitudes moet men allemaal verwerven om als leerkracht aan de slag te gaan in onze hedendaagse school binnen onze hedendaagse complexe samenleving? 

Om de lerarenopleidingen in Vlaanderen te sturen, ontwikkelde de Vlaamse overheid een referentiekader dat de eindcompetenties van de leraar kleuteronderwijs omschrijft, namelijk ‘de basiscompetenties van de leraar kleuteronderwijs’. Dit referentiekader bestaat uit tien functionele gehelen die men verder onderverdeelt in tal van basiscompetenties en uit een aantal attitudes. Gedurende de drie fasen van de opleiding krijgen studenten de kans om via tal van opleidingsonderdelen deze basiscompetenties te verwerven. Uiteraard spelen ook de ‘didactische oefeningen’ en de ‘actieve stages’ doorheen de drie opleidingsfases hier een belangrijke rol in. Je kan dan ook maar het diploma ‘educatieve bachelor in het kleuteronderwijs’ verwerven, wanneer je al deze competenties en attitudes in voldoende mate hebt verworven. Voor het volledige overzicht van alle basiscompetenties, raadpleeg de ECTS-fiche via onderwijsaanbod.  

De tien functionele gehelen van de basiscompetenties zijn:  
De leraar als … 

  1. begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen 
  2. opvoeder 
  3. inhoudelijk expert 
  4. organisator 
  5. innovator – onderzoeker 
  6. partner van ouders/verzorgers 
  7. lid van een schoolteam 
  8. partner van externen 
  9. lid van de onderwijsgemeenschap 
  10. cultuurparticipant 

Naast deze tien functionele gehelen, onderscheidt de overheid ook acht attitudes: 

  • A1 beslissingsvermogen 
  • A2 relationele gerichtheid 
  • A3 kritische ingesteldheid 
  • A4 leergierigheid 
  • A5 organisatievermogen 
  • A6 zin voor samenwerking 
  • A7 verantwoordelijkheidszin 
  • A8 flexibiliteit 

Aansluitend op deze attitudes die de Vlaamse overheid voorschrijft, expliciteert onze opleiding nog een aantal extra attitudes: 

  • A9 positieve ingesteldheid 
  • A10 inzet, betrokkenheid, persoonlijk engagement 
  • A11 gepaste ondernemingszin 
  • A12 muzische ingesteldheid 
  • A13 speelsheid, enthousiasme 
  • A14 alertheid 
  • A15 grondigheid 
  • A16 stiptheid 
  • A17 orde en netheid 
  • A18 aandacht voor duurzame ontwikkeling 
  • A19 oog voor diversiteit 

Deze basiscompetenties en aangevulde attitudes samen vormen onze opleidingsspecifieke leerresultaten (OLR). Doorheen de opleiding breidt het aantal competenties waaraan gewerkt wordt uit. Tegelijk verhoogt ook het niveau waarop dat gebeurt. Wie op het einde van de opleiding het diploma ontvangt, heeft ook de officiële domeinspecifieke leerresultaten (DLR) bereikt. Dat is op zijn beurt een synthese van de decretale competenties en attitudes gekoppeld aan een beschrijving van het verwachte eindniveau bij afstuderen.  

De grafische voorstelling van de praktijkcluster geeft de tien grondlagen weer die de functionele gehelen van de basiscompetenties voorstellen. Wij streven als opleiding de (uitgebreide) basiscompetenties na. Alle lagen moeten voldoende uitgegraven worden om startbekwaam te zijn als kleuteronderwijzer. Studenten (met de gele pet) verkennen en bewerken grondlagen met diverse materialen en technieken. Voor sommige studenten zijn bepaalde lagen zachter en gemakkelijker te doorgronden dan andere, afhankelijk van hun studentenkenmerken en het materiaal of de technieken die ze hanteren. Docenten (met blauwe pet en blauwe T-shirt) begeleiden studenten bij het doorgronden, rekening houdend met hun leerbehoeften.

In opleidingsfase 1 werken studenten voornamelijk aan de eerste vijf functionele gehelen van de basiscompetenties. In bovenstaande figuur graven ze tot in de vijfde grondlaag. Die basiscompetenties komen het meest aan bod in de afgebakende, eenvoudige klascontext waarin studenten focussen op begeleiden van activiteiten.

In opleidingsfase 2 onderzoeken en verkennen studenten diezelfde vijf functionele gehelen van de basiscompetenties maar breder, namelijk in de ruimere klascontext.

In opleidingsfase 3 focussen studenten op de tien functionele gehelen van de basiscompetenties. Ze integreren en verfijnen competenties in een complexe schoolcontext en realiseren een brede zorg. Naast actieve stage is er ook differentiatiestage waarin studenten in een nieuwe context werken. Die context stelt de student voor nieuwe uitdagingen op vlak van het verwerven van specifieke competenties.